12-02-14

Verteld aan mijn familie

Geen enkel moment is het bij me opgekomen, om hem ooit nog te groeten. De woede grolt verschrikt, de opkomende gedachte dat hij mijn beheerlingen gekwetst heeft zorgt voor ontembaar ongenoegen.

 

Geen seconde leef ik nog zonder haat. Ik tril na elke actie en voel me baden in een pas geboren angsthuis. Zonder liefde smelt de wereld voor je ogen. De pijn klieft door de ziel van mijn aderwanden. Woorden raken niet meer gevormd en botsen om te sterven in een kleine lege holte.

 

Avondkleuren verdwijnen in grijze dwaling. Ze smaken zwart en voelen druk aan. Hem moeten dulden, terwijl ik weet dat hij nooit zal gestraft worden, wreet aan mij. De pijn die me raakt is als een wonde die verdwaald en ontspoord. Naasten, de dichte beminden, zij die glinsteren en verhalen doen leven. Zij die me gekleurde geuren brengen, ze moeten lijden door wat hij heeft aangericht. Ik ruik het leven niet meer, ik leef als een ontwortelde slaaf.

 

De lange dagen spreken als zwervend gevaar. Wantoestanden vedragen het niet de lach te moeten zien. Gelaat, gezicht, beenstructuur bekleed met vel. Schilderijen van gemorst en stollend bloed. Zuipen, drank binnensmokkelen langs alle mogelijke wegen, zelfs in mijn oren laat ik zwaar gegist moutsap een poging doen om nog zatter te raken dan je ooit voor mogelijk houdt.

 

Hij is het, die mijn familie gestolen heeft. Ze opgesloten heeft in leegte en daarna langzaam heeft ontdaan van al hun waardigheid. Hij heeft het me verteld wat zijn verhaal teweeg heeft gebracht. Ik heb geen banden meer, de vluchtroute is geen optie meer... ik sluit mijn ogen maar.

 

De commentaren zijn gesloten.